|
Stefaan Modest Glorieux werd geboren op 3 mei 1802 als oudste zoon van
herenboer en burgemeester Glorieux te Sint-Denijs bij Kortrijk. In het jaar
1815, toen Napoleon zijn nederlaag leed in Waterloo, trok de 13-jarige Stefaan
naar het Klein Seminarie in Roeselare. In Gent voltooide hij zijn studies aan
het Groot Seminarie en in 1825 werd hij in Mechelen tot priester gewijd. In de
zomer van dat jaar werd E.H. Glorieux tot onderpastoor in Ronse benoemd.
Met grote ijver en edelmoedigheid ging hij aan het werk. Weldra deed hij de
overtuiging op dat er in Ronse twee grote kwalen te overwinnen waren: de
verschrikkelijke onwetendheid op allerlei gebied en de agressieve bedelarij.
Ronse werd in die tijd wel eens "de stad van de armoede" genoemd als gevolg van
een zware crisis in de belangrijkste nijverheid, namelijk de linnenindustrie.
In Ronse en omgeving was de werkloosheid groot. De mannen die wel werk hadden,
verdienden per dag een halve frank, de vrouwen voor 12 uur dagarbeid, ontvingen
twintig centiem. Die bedragen waren te groot om te sterven van de honger, maar
te klein om een gezin te kunnen voeden.
De deken met de medepastoors van de Sint-Hermesparochie en de geestelijken van
de parochie van Sint-Maarten steunden gezamenlijk een plan door onderpastoor
Glorieux ontworpen. Samen met enkele welgestelde bewoners van de stad zonden
zij een petitie naar het gemeentebestuur. Daarin vroegen de ondertekenaars de
oude Sint-Pieterskerk, die op dat ogenblik leeg stond, als werkhuis van
liefdadigheid te mogen inrichten. De Raad haastte zich om aan zo'n welkom
verzoek gretig te voldoen.
Mijnheer Glorieux liet zich niet afschrikken door de grote armoede en vroeg
mejuffrouw Depoorter om hulp en raad. Naast goede raad steunde zij hem
financieel en materieel. Hij kreeg van haar grote stukken grof lijnwaad, het
zogeheten balengoed, spinnewielen, weefgetouwen en grondstoffen om die te
verwerken. Met helpers en helpsters zette hij zich aan het werk om de
Sint-Pieter in te richten. Het werd daar een getimmer van jewelste en er werd
flink gesjouwd. Zelfs jongelieden en jonge vrouwen uit de hogere standen staken
de handen uit de mouwen. Met het balengoed van juffrouw Depoorter verdeelde men
de kerk in afzonderlijke vertrekken en lokalen.
De Sint-Pieter leek wel een jaarmarkt. Kinderen die vroeger rondzwierven,
ontvingen nu catechismusles en les in spinnen en weven. Verder werden er
bejaarden, een groot aantal gebrekkige sukkelaars en bedelaars in
ondergebracht. Dit was het begin van wat eens een echte ambachtsschool zou
worden, het begin van het eerste 'Huis van Liefdadigheid' in Ronse. Het was er
een gezellige drukte. Vrouwen en meisjes zwingelden en bobijnden het vlas en
sponnen het tot draad. Mannen en jongens weefden op oude handweefgetouwen en
maakten dweilen, balengoed en eenvoudige kleren. In de vroegere sacristie
wasten andere vrouwen het geweven goed dat door mannen in de toren werd
gedragen en daar werd opgehangen om te laten drogen. Onderpastoor Glorieux zag
dat alles blij en gelukkig aan, maar zat toch nog met een probleem. Waar
moesten de zwervers en zwervertjes slapen? Hij liet daarom het zangerslokaal
langs de beide zijbeuken verlengen, zodat er een hele slaapgalerij ontstond.
Hij bedelde strozakken en dekens bij elkaar zodat ze een slaapgelegenheid
hadden in plaats van onder de blote hemel te moeten overnachten. Een andere
moeilijkheid was: hoe geef je zoveel mensen te eten? Tot ontzetting van
bepaalde personen ging onderpastoor Glorieux zelf op schooi. In een
parochierelaas stond: "De aardappelen werden bij de boeren verzameld en het
brood bij de burgers".

|
Voor een stukje vlees zorgde juffrouw Depoorter. Mijnheer Glorieux stak er zelf
zijn jaarwedde van 236 gulden en 25 cent in. Juffrouw Depoortere getuigde:"Mijnheer
Glorieux verzorgde soms zelf de arme mensen in de Sint-Pieter. Hij deed een
blauwe short aan, kamde, waste en verzorgde zo goed mogelijk de arme mensen...
Hij was werkelijk een duizendpoot".
Een beslissende bijeenkomst van de bisschop en de E.H. Glorieux had plaats op
25 November 1830. Dit is het prille begin van twee congregaties: één voor
broeders en één voor zusters. Pas in 1832 kregen de broeders een naam. De
bisschop schreef aan E.H. Glorieux: "Gij zult ze noemen: Broeders van Goede
Werken"!. De zusters zouden nog heel lang moeten wachten op hun naam. Priester
Glorieux ontwikkelde een 'Modelinstituut' waar broeders en zusters gezamenlijk
konden zorgen voor jong en oud.
In een 'Akte van openlijke dankbaarheid' schreef Glorieux: "De vreselijke
stormramp van 29 November 1836 maakte de Sint-Pieter onbewoonbaar ... Sinds de
goedkeuring van de broeders was elke schijn voor een instituut voor de zusters
verdwenen en waren de moeilijkheden niet opgeheven. Maar de wegzending van 23
gebrekkige bejaarde vrouwen was moreel onmogelijk. En wie moest de was doen
voor de oude mannen die dagelijks schoon goed nodig hadden. De
broeders lieten toen de vrouwen door de dienstboden verzorgen ... De noodzaak van
een ander tehuis in plaats van de Sint-Pieter deed het plan rijpen een
Modelinstituut te bouwen. Daarin konden alle goede werken uitgebreid tot alle
klassen van de maatschappij, rijk en arm, jong en oud, van beide geslachten ...
worden ondergebracht ...".
Het ontwerp van het Modelinstituut was een groots opzet. Om het geld bijeen te
krijgen, begon mijnheer Glorieux met een weldoordachte uitgebreide campagne.
Aan alle weldoeners bood hij een gedenkplaat aan met een afbeelding van het
Modelinstituut. E.H. Glorieux liet een symbolische tekening maken: een lange
stoet van Broeders en Zusters van Goede Werken met hun beschermelingen op weg
naar de hemel. Onder de plaat stond: 'Genootschap voor de verbreiding van het
liefdewerk tot dubbel heil van de armen'. Een 'Kronijk' uit die tijd verhaalde
hoe de broeders met zeer grote ijver bouwden aan dat instituut met zijn vier
vleugels van drie verdiepingen.
Eindelijk op 30 Oktober 1845 werden de eerste acht Zusters van Barmhartigheid
aanvaard door Monseigneur Delebecque. Op 9 November gaven "Le Journal de
Bruxelles" en "L'Echo de Renaix" een uitgebreid verslag van de plechtige
inkleding op 30 Oktober, stichtingsdag van de zusters: "Op 30 Oktober had in het
instituut van Goede Werken te Ronse een indrukwekkende plechtigheid plaats,
waarop sedert lang met ongeduld was gewacht. De Bisschop van Gent heeft het
instituut nog eens in al zijn onderdelen bezocht en het verslag aanhoort van de
burgerlijke en geestelijke gezagsdragers die met de leiding hiervan belast
zijn. Daaruit bleek dat de kandidaat-zusters met een grenzeloze toewijding de
verschillende takken van liefdadigheid leiden, zowel voor de burgerij als voor
de arme arbeidersstand. Zij zorgden tevens voor de keuken en de was van de
broeders en de mannelijke verpleegden. Daarom heeft de bisschop na dit
onderzoek hun roeping als authentiek erkend en bevestigd dat hun gemeenschap
als religieuze congregatie was aanvaard. De congregatie ontving de naam van
Zusters van Barmhartigheid"
. Dit is het begin van de Congregatie van de Zusters van Barmhartigheid en van
haar verschillende instellingen.
In 1847 was E.H. Glorieux overgegaan tot de oprichting van een
'Landbouwgenootschap van Goede werklieden tot exploitatie van
Weldadigheidshoeven'. In een prospectus zette hij het principe, het doel en
haar activiteiten uiteen. Het 'Landbouwgenootschap' was een lekenvereniging.
Zij leefden in gemeenschap onder statuten die veel weg hadden van een
kloosterregel. Ze zouden het leven der armen delen en niet naar rijkdom
streven. Het was de bedoeling dat elke Weldadigheidshoeve zichzelf financieel
zou bedruipen. De bewoners moesten leven van de opbrengst van de akkerbouw en
het verwerken van het vlas. De vrouwen sponnen en de mannen weefden. In 1848
hoorde E.H. Glorieux dat op de Muziekberg de armoede afgrijselijke vormen had
aangenomen. Op die berg lag een oude verlaten wijngaard van Baron van Hoobrouck
de Moreghem. E.H. Glorieux pachtte er 16 hectaren braakliggende grond. Mensen
die werk zochten, waren er meer dan genoeg. In het boerderijtje bracht hij
bejaarden, gebrekkigen en enkele wezen onder. Het aantal weeskinderen op de
Muziekberg groeide onrustbarend. Ondanks zijn voortdurende bekommernis en zijn
onophoudelijke bedeltochten gluurde de honger elke dag om de hoek. De grond
leverde weinig op: was zuiver zand en onvruchtbaar. Het was vechten tegen de
bierkaai. Het aantal weeskinderen was tenslotte zo groot dat er geen plaats
meer was in het boerderijtje. E.H. Glorieux besloot toen maar te verhuizen.
Een kilometer verderop, in het tegenwoordige Louise-Marie, ging hij met de
bewoners een stuk bos rooien om er akkerland van te maken. Hijzelf nam zijn
intrek daar niet ver vandaan, in het wagenhuis van de grote boerderij die aan
een zekere Fiennes hoorde. In die tijd wilde Baron van Hoobrouck, boven op de
heuvel, een parochiekerk bouwen. Aanstonds was Priester Glorieux bereid om voor
de stenen te zorgen en alzo zijn werklieden werk te verschaffen. Hij bouwde in
het gerooide bos een steenoven. Met veel plechtigheid werd de eerste steen van
de kerk gelegd. Dat gebeurde heel toevallig op de dag dat Koningin Louise-Marie
in 1850 stierf. Ze had tijdens haar leven, met royale giften, voor de bouw van
deze kerk bijgedragen. De inwijding van de kerk in 1852 heeft priester Glorieux
niet meer meegemaakt, hij was intussen in ongenade gevallen en verbannen naar
Dendermonde. In 1848 werd E.H. Glorieux ontheven van zijn functie als directeur
van de twee kloostercongregaties. Financiële moeilijkheden maar vooral onbegrip
en laster waren de hoofdoorzaken. Hij kreeg zelfs verbod zich nog met zijn
broeders of zusters in te laten.
Ondanks deze tegenslagen behield E.H. Glorieux zijn dynamisme en zijn
werkkracht. Hij verhuisde naar Heldergem en later naar Smetlede. Overal
trachtte hij armen en ongeletterden te helpen. De bisschop noemde hem in 1866
tot pastoor te Smetlede bij Aalst. Vergezeld van zijn dienstmeid Melanie
Perdaens (Mele) vertrok hij op 19 Maart 1866 naar zijn nieuwe parochie, gelegen
op 10 kilometer van Heldergem. Heel zijn meubilair was op een stootkar geladen
en er werd gezegd dat de parochie een arme meer telde. Smetlede was een dorpje
met 1100 inwoners. Zoals voorheen trok Pastoor Glorieux ook daar ten strijde
tegen het analfabetisme, de armoede en het gebrek aan godsdienstigheid. Hij
stelde dan ook alles in het werk om er iets aan te doen. Reeds op 4 Augustus
1866 vroeg hij zijn bisschop om paters Redemptoristen te sturen en er een
volksmissie te prediken. Gesteund door medewerkers begon Pastoor Glorieux met
enthousiasme de armen en behoeftigen te helpen en onderwijs te verschaffen. Met
veel succes richtte hij speelterreinen in voor de jeugd en dit een halve eeuw
vooraleer dergelijke projecten algemeen aanvaard werden.
|